MEDELANDERS.......
In onze wijk woont een-fielt van een vent-,
die altijd omgaat met van dat-ongure gajes-.
Met zijn grote voorkeur voor veel-trammelant-,
zit hij heel dikwijls voor bepaalde tijd in de-bajes-.
Gisteren waren zij weer-de hort opgegaan-,
en hadden zich nu weer, -laveloos gezopen-.
Ik kwam hem tegen, met-een stuk in zijn kraag-,
en aan zijn gebral was-geen touw vast te knopen-.
Echt, er was met hem-geen land te bezeilen-
en zijn gescheld, -geen speld tussen te krijgen-.
Met dubbele tong schold hij me uit, voor-druiloor-
en hij bleef me aldoor met veel-poespas-bedreigen.
Ik dacht eerst, -het sop is de kool niet waard-,
tot ik hem, -ik help jou om zeep-hoorde zeggen.
Toen riep ik, ik zal nooit-naar jouw pijpen dansen-
en zal ik ook niet, door jouw hand-het loodje leggen-.
Daarna schold hij me uit, voor-heilig boontje-
en schreewde, jij wilt altijd-een wit voetje halen-.
Maar ik doe nooit mee, aan zulk soort-gekonkel-
en kan ook van dat-schorem-, inmiddels wel balen.
Hij werd kwader en noemde me-lapzwans-
en riep, dat ik hem-een oor aan wou naaien-.
Ik werd ook razend en-gaf hem zijn vet-en riep,
je kan-de bout hachelen-jij, met al je onrust zaaien.
Ik wist dat hij er altijd-een potje van maakte-.
Vooral als hij, zoals zo dikwijls, -in de olie-was.
Hij deed nooit anders dan-de kantjes eraf lopen-.
Als wij ons-afpeigerden-lag hij te snurken in´t gras.
Hij zal zich zeker nooit-uit de naad werken-,
omdat hij hier alles door-gekonkelfoes-verkrijgt.
Binnenkort zit hij weer vast, met al zijn-bombarie-
en daar, waar die-oelewapper-óók alles gratis krijgt.
P.B.K. 2013